Spoorboekje naar God. 

Een mini-geloofscursus voor jonge mensen.

 

 

Wil je meer weten over geloven... Om beter voorbereid te zijn op je huwelijk? Dan is misschien deze korte geloofscursus wat voor jou...!

 

1. Inleiding

2. Waarin we mogen geloven...

3. Het geloof dat we mogen vieren...

4. Leven vanuit je geloof...

5. De biddende gelovige...

 

Als je denkt: eigenlijk zouden we samen eens een korte geloofscursus moeten houden om ons beter voor te bereiden op ons huwelijk, denk dan eens aan een Alpha-cursus. Op het internet kun je vinden of, wanneer en waar bij jou in de buurt zo'n cursus wordt gegeven...

 

 

1. INLEIDING

 

God... geloven...

Ergens komt in een mens een verlangen naar boven. Een verlangen dat diep in je eigen hart woont, het diepste van jezelf: "Wat ligt er achter de horizon van mijn leven? Waar kom ik vandaan? Wie ben ik... Wist ik het maar. Er is meer tussen hemel en aarde, dat voel je. Maar wát is dat meer? Waar moet ik het zoeken?"

Stel: Je neemt een voorzichtige beslissing: je bent geïnteresseerd. Je gaat op zoek. "Maar waar moet ik het zoeken? Zoveel mensen, zoveel verschillen, ook in geloof. Ieder voor zich en God (wie Hij dan ook is) voor ons allen?" In de wirwar van wat mensen zeggen raak je het spoor zó kwijt.

Stel: Je zet een volgende stap: je gaat eens kijken bij mensen die al honderden jaren sámen hun antwoorden zoeken. Samen met al die vragen en verlangens waar jij ook mee rondloopt. Een Kerk die wereldwijd honderden miljoenen mensen aanspreekt. Een Kerk van allemaal verschillende mensen...

Dìe kerk laat jou niet alleen zoeken. Die Kerk wil jou helpen het spoor te vinden. Die kerk geeft een dikke handleiding uit, die 'Katechismus van de Katholieke Kerk' heet. Dat is niet een boek om even aan te beginnen (voor wie hem wel wil lezen: zie menu 'huwelijksbibliotheek'). Dit 'spoorboekje' is daarvan een hele korte samenvatting, en dat is heel wat gemakkelijker om in te stappen. Jij mag bij ieder station zelf de keuze maken, of je mee wilt op die trein... op weg naar het eindstation van jouw verlangen, het geluk.

 

 

2. WAARIN WE MOGEN GELOVEN...

 

Als je wilt geloven, kies je zelf om op zoek te gaan. Je verstand zegt: "wat ik zie om me heen, wat ik voel in mijn hart, dat kan ik proberen te verstaan". Natuurlijk, je kunt als mens God zoeken en vinden door al dit soort dingen. Je kunt gaan geloven. Dat is je natuur. Maar soms begrijp je niet alles. Dan kom je er niet onderuit: je zult moeten luisteren, om verder te komen. Je stelt vragen: "God, waar bent U, wat zegt U van Uzelf?"

Gelukkig, God spréékt. We noemen dat: 'God openbaart zichzelf'. Hij openbaart zich in wat Hij gemaakt heeft: alles wat bestaat. Maar ook laat Hij zien wie Hij is in levens van  mensen. Hij laat zien van mensen te houden. Hij blijft voor altijd met ze verbonden. Dat - en nog veel meer - staat bij elkaar in een boek, de Bijbel. Wetten, profeten en andere geschriften vóór de komst van Christus; na zijn komst zijn eigen Blijde Boodschap [het Evangelie], en wat zijn leerlingen deden, schreven en zagen. Een boek met Gods eigen woorden in de taal van de mensen. Een boek dat wordt doorgegeven en uitgelegd door de Kerk.

God openbaart zich en nodigt jou uit, als zijn vriend. Jouw antwoord daarop is: geloven. Een sprong om mee te gaan met die God en zijn Kerk. Jouw vrije keuze om bij Hem te blijven, en God die jou helpt. Geloven... om voor altijd gelukkig te worden.

 

De Kerk heeft in Gods woorden gezocht naar de belangrijkste punten om te geloven. Dat hoef je niet zelf te zoeken, dat is al eeuwen geleden gebeurd. Die punten noemt ze: de geloofsbelijdenis. Jouw geloof mag zich daarbij aansluiten. Je krijgt er voor terug, dat je voortaan niet meer alleen gelooft, maar sámen. Je gaat horen bij een club van gelovige mensen, een gemeenschap, een Kerk. De Kerk spreekt haar geloof uit in de volgende twaalf punten:

 

1. Ik geloof in God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde. Er is maar één God, en die ene God heeft alles wat bestaat gemaakt, 'geschapen'. God maakte alles uit liefde: onze wereld die we zien, maar ook een wereld van onzichtbare dingen. Gods liefde kan alles, is 'almachtig'. Dat betekent: voor God is niets onmogelijk. Hoe dat mogelijk is, blijft een geheim. Als wij denken aan 'macht', dan is dat altijd beperkt. Kun je het je voorstellen: iemand die echt álles kan? Dat moet wel de Schepper zijn, zo is er maar één.

Er is maar één God, één goddelijk wezen. God is één, maar Hij is geen eenling. De ene God laat zich in de Bijbel kennen als drie onderscheiden personen: De Vader, van wie alles afkomstig is. De Zoon komt uit de Vader voort.

2. En ik geloof in Jezus Christus, zijn enige Zoon, onze Heer.  Jezus Christus is de Zoon die geboren wordt in onze wereld, waar Hij de wil van de Vader doet. Dankzij Jezus kunnen we de Vader kennen. De heilige Geest is afkomstig van de Vader en de Zoon. Er is een duidelijk onderscheid tussen de drie personen. Maar tegelijk zegt de Bijbel: God is helemaal vol van liefde. Dat schept een relatie die zoveel sterker is dan liefde zoals mensen die beleven. De liefde tussen Vader, Zoon en heilige Geest is zo diep, dat deze personen er helemaal één door zijn. Ze kunnen nooit van elkaar gescheiden worden.

Hoewel God alles uit liefde heeft geschapen, is er toch kwaad in zijn mooie schepping. De mens, het hoogste schepsel dat God maakte, heeft dat zelf veroorzaakt. God gaf de mens de vrijheid. Dat is prachtig, maar de mens is die vrijheid gaan gebruiken tegen God en tegen zichzelf. De mens 'zondigde'. Omdat de eerste mens zondigde, werd hij zwak, en niet alleen hij zelf: ook alle mensen die van hem afstammen. Alle mensen werden daarom gevoelig voor de zonde. Lijden en dood kwamen in de wereld. De mensen konden in hun zwakheid niet meer op eigen kracht daarvan loskomen. Generatie op generatie viel ten prooi aan de erfenis van die eerste vrijwillige misstap.

God liet de mens niet zitten met zijn 'erfzonde'. Op een gegeven moment werd de ene Zoon van God [zie boven] mens in onze wereld. Hij heette 'Jezus', dat betekent: 'God redt zijn volk'. We noemen Hem 'Heer', want Hij heeft onafhankelijk, met goddelijke kracht, de neerwaartse spiraal doorbroken. Daarom mag Hij onze Koning zijn, 'heer'-sen over ons.

3. Jezus Christus is ontvangen van de heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. Jezus werd geboren: een mens van vlees en bloed, met alles wat daar bij hoort. Hij werd geboren uit een histori­sche vrouw met de naam 'Maria'. Toch bleef Jezus ook God. Hij was maar één persoon, zonder dubbelheid. Helemaal mens èn helemaal God. Daardoor was Jezus ook weer niet zomaar een gewoon mens. Zijn moeder Maria werd ook geen moeder door een andere man, maar door de heilige Geest: God zelf. Zo kon ze 'maagd' blijven en tòch moeder worden van God. Een bijzon­dere gunst van God voor wie niets onmogelijk is! Zowel Jezus als zijn Moeder hadden dan ook geen last van de 'erfzonde'. Hij werd immers rechtstreeks mens door Gods Geest, om de mens juist van die erfzonde te verlossen.

4. Jezus Christus heeft geleden onder Pontius Pilatus; is gekruisigd, gestorven en begraven. Het hele leven van Jezus had maar één doel: voorbereiding op de grote bevrijdingsdaad, waardoor de mens verlost zou worden van de zonde. Alles wat Hij zei en deed toen Hij rondtrok onder de mensen van Israël, was er dan ook op gericht hen warm te maken voor dat nieuwe Koninkrijk van God, waarin zonde en dood voorgoed voorbij zouden zijn. Echt een 'Blijde Boodschap' [Evangelie]! Daarvan gaf Hij alvast een voorproefje in de vele wonde­ren en tekenen die Hij deed. Het hoogtepunt was echter, dat Hij zichzelf vrijwillig en uit liefde offerde voor de mensen. Dat gebeurde toen Hij door een concrete mens (koning Pontius Pilatus van Jeruzalem) ter dood werd veroordeeld. Hij droeg zelf het kruis waaraan Hij werd vastgespijkerd. Hij stierf na vreselijk lijden, en werd in een graf gelegd.

5. Jezus Christus is nedergedaald ter helle, de derde dag verrezen uit de doden. Hoe zou Jezus ons hebben kunnen redden van zonde en dood als Hij in het graf was gebleven? Dat gebeurde dan ook niet. God wekte Hem na drie dagen uit de dood, en liet Hem opstaan. Hij 'verrees'. In de tijd dat Hij dood in het graf was, bezocht hij de doden van de hele mensheid [dat is: nedergedaald ter helle], om hen mee te nemen in zijn eigen verrijzenis. De verrijzenis is werkelijk gebeurd. De leerlingen van Jezus zijn onze getuigen: zij hebben zijn lege graf gezien en hebben Hem ontmoet.

6. Jezus is opgestegen ten hemel, zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader. Na de verrijzenis bleef Hij niet voor altijd bij ons. Hij hoort immers thuis bij God zelf. Daarom ging Hij naar de Vader terug [de hemel] en is daar koning voor altijd [zit aan de rechterhand van de Vader].

7. Vandaar zal Hij komen oor­delen de levenden en de doden. Over alle mensen die geleefd hebben, die nu leven en die na ons geboren zullen worden, zal Jezus de koning zijn. Hij weet wat er leeft in het hart van elke mens. Hij zal het recht laten zegevieren, ondanks onze wereld vol onrecht. Het goede zal het kwade overwin­nen als Jezus terugkomt om recht te spreken.

 

8. Ik geloof in de heilige Geest. God zendt zijn Geest. Dat wil zeggen: alles wat de Vader en de Zoon doen, is vervuld van de heilige Geest: de schepping in het begin, het mensworden van de Zoon, zijn werkzaamheid in ons midden, zijn verschijnen na de verrijzenis. Maar ook nu blijft Hij in ons midden. In de kerk deelt de heilige Geest nog steeds alle goede gaven van God aan je uit.

9. Ik geloof in de heilige katholieke Kerk en de gemeenschap van de heiligen. God heeft gewild dat de zending van zijn Zoon, de bevrijding van alle mensen, zou worden doorgegeven in een gemeenschap van mensen, een volk. Die gemeenschap noemen we 'Kerk'. In de Kerk ben je als mens geestelijk verbonden met Jezus Christus en ben je kind van God. Door het doopsel word je lid van de ene, heilige Kerk voor alle mensen (katholiek) die wordt bestuurd door de opvolgers van de apostelen: de Paus van Rome en de bisschoppen. Samen met alle gelovigen mag je getuigen van Gods liefde in het hart van onze maatschappij.

De kerkgemeenschap gaat verder, over de dood heen. Ook de gestorvenen blijven met ons één Kerk, als 'gemeenschap van de heiligen', in het eeuwig geluk.

Maria, de moeder van Jezus, is hét voorbeeld voor de Kerk. Zij stond open voor Gods bedoeling, daarom werd zij als eerste met lichaam en ziel in het eeuwig geluk opgenomen. Daar is zij nu moeder van ons allemaal, moeder van de Kerk.

10. Ik geloof in de vergeving van de zonden. Als je gedoopt bent, werkt Gods heilige Geest in jou, en ben je verbonden met Jezus. Hij, de Verlosser, neemt dan alle zonden van je weg, hij 'vergeeft' je.

11. Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. Eens zal deze wereld ophouden te bestaan. Jezus Christus zal dan terugkomen en de rechtvaardigen opnieuw ten leven wekken. Het ontzielde lichaam zal op een nieuwe manier worden bezield. Het zal verrijzen om nooit meer de dood te zien.

12. Ik geloof in het eeuwig leven. Op de dag dat deze wereld zal ophouden te bestaan, zal de Heer, Christus de Koning recht spreken over alle mensen die ooit hebben geleefd. Als je rechtvaardig bent, zul je voor altijd leven en gelukkig zijn. Maar als je ondanks alles vasthoudt aan de zonde, zul je voor altijd aan je keuze gehouden worden. Je zult de levende God niet meer zien. Op die dag is de schepping voltooid en zal alleen de liefde van God nog bestaan.

 

3. HET GELOOF DAT WE MOGEN VIEREN...

 

Jezus de Heer blijft werken in zijn kerkgemeenschap. En jij mag als antwoord stem geven aan je geloof. Jouw geloof wordt samen met andere mensen gevierd in heilige woorden, handelingen, rituelen. Dat noemen we 'liturgie': meedoen met het geheim van de verlossing; genade en genezing, kracht om te leven, elke dag. In liturgie breng je eer aan God. Hij wordt aanbeden. De eer die Hem toekomt krijgt Hij ook.

Heel bijzonder zijn de 'sacramenten'. Het zijn tekenen die je 'genade' geven: je mag delen in Gods liefde en verlossing, Christus ontmoeten. Sacramenten zijn door Christus zelf aan ons gegeven, en de heilige Geest laat Jezus Christus steeds bij ons komen, als we op die manier samenkomen in zijn naam. We worden er allemaal beter van: jijzelf en de hele Kerk.

Als je met mensen samenkomt om liturgie te vieren, heeft alles en iedereen een eigen functie. Je bidt samen en alleen, je gebruikt tekens en symbolen van de natuur en het menselijk leven, je luistert naar Gods woord, je zingt, je gebruikt beelden en gebouwen, alles op zijn tijd. Iedere dag heeft zijn eigen kleur; heel het jaar heeft eigen tijden van feest en vasten, herinnering en gedenken. Het geheim van Pasen, Christus die leeft voor altijd, wordt werkelijkheid in je midden. Je geloof wordt er uitgedrukt en opnieuw gestimuleerd.

De kerk kent zeven sacramenten. Ze zijn aanwezig op alle centrale punten van je leven: bij ontstaan en groei, bij genezing en bij levenskeuze en -zending.

 

1. Drie sacramenten om te beginnen [initiatie].

 

Je wordt helemaal lid van de kerk door drie sacramenten.

a] Als eerste word je gedoopt. Bij de doop word je ondergedompeld in, of begoten met water in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Daarmee is je leven eens en voorgoed gestempeld door God. Je bent geboren tot nieuw leven met Jezus Christus, en de erfzonde en al je persoonlijke zonden worden je vergeven. Meestal word je als kind gedoopt. Je ouders en de Kerk beslissen voor jou dat je er bij wilt horen.

b] Het doopsel wordt afgemaakt door 'het zegel van de heilige Geest, de gave Gods'. Dat noemen we het vormsel. De bisschop zalft een mens die verstandig genoeg is om zijn eigen keuzes te maken met heilige olie. Je kunt nu zelf bevestigen dat je bij de Kerk wilt blijven. De heilige Geest bevestigt jou ook. Hij geeft je kracht om te blijven geloven, om de Kerk trouw te blijven, en de Blijde Boodschap door te geven aan alle mensen.

c] Het belangrijkste sacrament is de eucharistie. Op de avond voor Hij ging sterven gaf Jezus aan zijn leerlingen brood en wijn. "Dit is mijn Lichaam. Dit is mijn Bloed. Doet dit tot mijn gedachtenis". Daarom neemt een priester ook nu nog brood en wijn, leest de Bijbel en gedenkt biddend Jezus' dood en verrijzenis. Christus komt dan echt in ons midden: zijn Lichaam en Bloed. Jezus wil jouw voedsel zijn. Je mag 'ter commu­nie', dat betekent: gemeenschap vormen met Jezus en de Kerk. Jezus geneest je van je zondigheid, en geeft je kracht om het goede te doen, als je wilt elke dag.

2. Twee sacramenten van genezing.

 

Behalve de eucharistie zijn er nog twee sacramenten die je vaker kunt ontvangen, en die je genezen in je gebroken bestaan.

a] Als je weet dat je zonde hebt gedaan - en wie doet dat niet ? -, en je denkt aan God die zo goed is, en aan de kerkgemeenschap die hebt gekwetst, dan wil je terug naar de liefde die je zelf hebt verlaten. Je 'bekeert je', dat wil zeggen: je keert je naar God toe en keert je af van het kwaad. Met spijt in je hart vertel je de priester je misstappen en belooft om het beter te doen. Dan ben je klaar om het sacrament van Boete en Verzoening te ontvangen: de priester vergeeft in naam van Jezus je zonden [absolutie], en jij maakt je misstap weer goed [penitentie].

b] Wanneer een christen heel erg ziek is, kan een priester hem de ziekenzalving geven. Terwijl hij bidt om genezing en vergeving wordt de zieke gezalfd met heilige olie. Jezus Christus die weet wat lijden is, komt bij de zieke, en geeft hem kracht om beter te worden of - als het zo erg is - in vrede te sterven.

 

3. Twee sacramenten van levenskeuze en -zending.

 

Een mens kan besluiten zich aan niemand te binden. En anders?

a] Als man kun je je binden aan God. Je wordt dan gewijd en gezonden om de mensen te onderrichten, de eredienst voor God te verrichten en het volk te leiden. Als bisschop sta je onder de Paus aan het hoofd van een bisdom. Als priester help je de bisschop in zijn verantwoordelijkheid. Als diaken help je hem in het dienstwerk aan de mensen.

b] Als je als man en vrouw van elkaar houdt en bij elkaar wilt blijven, sluit je met elkaar het sacrament van het huwelijk. Je sticht een gezin, maakt elkaar gelukkig en schenkt elkaar kinderen. Je hebt een exclusieve band met elkaar die nooit meer wordt verbroken. Als twee gedoopten elkaar zó trouw beloven en de kerk er getuige van is, komt de liefde van Christus bij hen. Hij geeft genade en kracht om de liefde voor eeuwig te bewaren.

 

 

4. LEVEN VANUIT JE GELOOF...

 

A. KOSTBAAR IN ZIJN OGEN.

 

Als je gedoopt bent, mag je altijd en overal leven met Jezus Christus. Je bent niet zomaar 'iets', je bent be­stemd om voor eeuwig te leven. Jouw 'menselijke persoon' is kostbaar in Gods ogen. Je bent Hem heel veel waard.

Jouw 'waardigheid' blijkt uit de volgende geweldige gaven:

1. Je bent beeld van God. Zo mooi ben je geschapen, lichaam en ziel. Ondanks de erfenis van de zonde ben je door de doop weer helemaal hersteld.

2. Je bent geboren voor het geluk. Als je leeft zoals Jezus het leert in het evangelie, zul je eens voor eeuwig gelukkig zijn bij God. Dat is de 'roeping' en opdracht van iedere mens.

3. God geeft je de vrijheid. Als mens kun je willens en wetens iets doen of iets laten. Dat is je vrijheid. God geeft je die en respecteert wat je doet, al is het het beste om alles te doen met respect voor de wil van de gever.

4. Je bent verantwoordelijk voor wat je doet. Niet alles wat je doet is ook goed. Je kunt je vrijheid ook misbruiken. Iets wat je doet of waar je naar streeft is goed als het gericht is op de wil van God. Dan is het belangrijk je wil en je verstand te bewaken bij 'wat' je doet, met wat voor 'intentie', bedoeling, je iets doet, en wat er nog meer bij komt kijken (om­standigheden). Soms zijn dingen zo slecht, dat je ze nooit mag doen. Maar dankzij je vrijheid ben je zelf verantwoordelijk.

5. Je hebt je eigen geweten. Diep in je hart is er iets dat jou zegt of iets goed of fout is. Daar moet je op af gaan. Dat is je 'geweten'. Maar het is wel heel belangrijk je geweten goed te houden. Soms noemt je hart iets goed wat toch niet Gods wil is. Daarom mag je nooit vergeten je geweten te 'vormen' door een goede omgang met God, zijn woord en de kerk.

6. Je mag groeien in 'deugd'. Iemand leeft 'deugdzaam' als hij gewoontegetrouw het goede wil en ook doet. Dan moet je zelf vooral voor­zichtig zijn, maar ook rechtvaardig, sterk en matig. Maar ook God helpt jou door de gaven van de heilige Geest, het geloof, de hoop op zijn beloften en de liefde voor Hem en de mede­mens. Daardoor kom je dichter bij Hem en word je ook sterker in het dagelijks leven.

7. Je wordt ondanks de zonde door God bemind. Alles wat je doet moet kloppen met de wet van God. Anders is het zonde. Hoe bewuster je zoiets doet, hoe erger je God beledigt. Daar was je vrijheid niet voor bestemd! Hoe en wat je doet bepaalt hoe erg de zonde is, en soms is het zó erg, dat je God ermee uit je hart verbant. Dan maak je jezelf 'dood' voor Hem ('dood'-zonde). God verafschuwt de zonde, maar houdt van de zondaar. Daarom is hij vol liefde als je je vrijheid gebruikt om naar Hem terug te gaan.

 

B. EEN GEMEENSCHAP VAN MENSEN

 

Als mens ben je samen onderweg naar hetzelfde doel: het eeuwig geluk. Daarom wil je met vereende krachten een goede samenleving opbouwen, en daarin bevorderen dat iedereen het goede kan doen. Daarin heb je een rechtvaardig gezag nodig, dat het welzijn van allen bevordert: eerbied voor fundamentele mensenrechten, welvaart en ontwikkeling, vrede en veiligheid, solidariteit bij grote verschillen. Dat alles willen we zo laten gebeuren, omdat iedere mens kostbaar is in Gods ogen. Hij is de norm van echte menselijkheid.

 

C. WETTEN EN GENADE: GOD DIE ONS HELPT

 

Omdat je als mens maar zwak bent, en snel bereid te zondigen, wil God je helpen door de goede richting te wijzen. Dat is Gods 'wet'. Er is een natuurlijke wet, die ingebakken is in de Schepping. Die kun je niet veranderen. Maar ook heeft God een wet gegeven aan zijn volk, vóór Christus verscheen. Jezus gaf een nieuwe wet: de liefde, de perfectie: liefde die mensen vrij maakt en open voor Gods genade. Toen je gedoopt werd kwam die nieuwe wet in jouw hart. Het is de heilige Geest zelf, die je 'rechtvaardigde', heilig maakte. Daarom ben je nu in staat om je vrijheid goed te gebruiken en er straks door God voor beloond te worden. De gemeenschap van de Kerk is een betrouwbare hulp, die nog eens extra duidelijk uitlegt wat Jezus heeft bedoeld.

 

D. TIEN CONCRETE WEGWIJZERS VAN GOD (10 GEBODEN).

 

Die natuurlijke wet van de Schepping heeft God al voor de komst van Christus in 10 korte zinnen samengevat. Jezus heeft ze natuurlijk overgenomen. Samen vormen ze één wet: 'liefde' voor God en de medemens. Soms heel moeilijk, maar altijd heel natuurlijk en mooi.

1. Ik ben de Heer uw God. Je zult geen andere goden vereren, maar Mij alleen aanbidden en bovenal beminnen. Als je houdt van de éne God, zou je al aan geen ander meer willen denken. Hij is de enige Schepper, Hem komt de eer toe.

2. Je zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken. Als je houdt van God, zul je niet vloeken en zijn naam alleen gebruiken als dat past bij de eer die Hem toekomt.

3. Denk er aan, dat je de dag van de Heer in ere houdt. Als je van God houdt, dan gun je Hem minstens die éne dag in de week dat alle christenen aan Hem denken. Dat zijn de zondag en de andere grote feestdagen. Het zijn dagen waarop je meer bidt en waarop je het werk van alledag even laat rusten.

4. Eer je vader en je moeder. Als je houdt van je medemens, dan zijn je vader en je moeder toch wel de eersten waar je van houdt. Als kind ben je een vrucht van hun liefde. Die mag je niet tekort doen. Daarom is ook het gezin iets wat ten kost van alles beschermd moet worden, om de liefde te bewaren.

5. Je zult niet doden. Een mens is kostbaar in Gods ogen. Als je houdt van je medemens, dan zul je het leven beschermen en respecteren van de eerste cel in de moederschoot tot de laatste ademtocht. Moord en doodslag zijn verkeerd tenzij je jezelf moet verdedigen, actieve beëindiging van zwangerschap en zieltogend leven zijn nooit goed te keuren: het is onschuldig leven, kostbaar voor God.

6. Je zult geen onzuivere dingen ('onkuisheid') doen. Als je houdt van een medemens, is de liefde het enige wat telt. Seksualiteit zal dan 'kuis' zijn, dat betekent: een zuivere verhouding tot jezelf en de liefde voor de ander. Het huwelijk is de enige plaats waar dat helemaal wordt waargemaakt. Je kan een ander of jezelf nooit gebruiken om daar iets anders van te maken. Ook mag je nooit het krijgen van kinderen onmogelijk maken in je seksuele daden. Als gehuwde en ongehuwde is het daarom opletten. Dat is niet vaak de gemakkelijkste weg. De keuze voor èchte liefde sluit veel mindere mogelijkheden uit.

7. Je zult niet stelen. Als je van je medemensen houdt, respecteer je het eigendom van andere mensen. Maar ook respecteer je waar anderen recht op hebben. De goederen van de aarde zijn bestemd om te delen met alle mensen: arm en rijk. Daar moet je voor opkomen en er voor werken.

8. Je zult tegen je medemens niet leugenachtig getuigen. Als je van je medemensen houdt, wil je hem niet bedriegen door te liegen, of hem de waarheid waar hij recht op heeft niet te gunnen. Maar ook kwaadspreken en belasteren van anderen is bedrog. Eerlijkheid is een groot goed. Maar in de wereld is ook veel leugen. Daar moeten we tegen opkomen en zelf zorgen dat je niet wordt meegesleept.

9. Je zult geen onzuiverheid begeren. Als je van je medemens houdt, mag je hem nooit zonder zuivere liefde behandelen. Dat zit ook van binnen: in je hart. Gebruik je zintuigen en je gedachten niet anders dan 'kuis', zuiver (zie 6e gebod).

10. Je zult niet ten onrechte begeren waar een ander recht op heeft. Als je van je medemens houdt, zit ook het respect voor recht en eigendom van anderen van binnen. Je hart wil niet hebzuchtig of jaloers zijn, maar eerder welwillend en tevre­den.

 

5. DE BIDDENDE GELOVIGE...

 

Als je in God gelooft, zijn geheimen wilt vieren en leeft vanuit dat geluk, dan wil je ook een levende band, 'relatie' hebben met God. Dat is bidden, gebed.

Als je bidt, gaat je hart, je geest uit naar God. Dat is niet nieuw. Alle mensen die ooit hebben geloofd in onze ene God, hebben gebeden. De Bijbel vertelt ons daar al over. In het Oude Testament (vóór Christus) werd al gebeden door de leiders van het volk en door de profeten. Het mooiste gebedenboekje van de Bijbel zijn de 'psalmen'. Maar ook Jezus heeft gebeden in het Nieuwe Testament (ná Christus). Hij zocht de stilte, de eenzaamheid, om te praten met zijn Vader. Hij leerde zijn leerlingen hoe ze met een zuiver hart konden bidden.

Je kunt op heel veel manieren bidden, praten met God: Je kunt God zegenen en aanbidden om alles wat Hij voor ons heeft gedaan. Je kunt Hem ook vragen om wat je nodig hebt voor het geluk. Je kunt Hem vragen om anderen te zegenen. Je kunt Hem bedanken voor wat je gekregen hebt. En je kunt Hem zomaar vertellen hoe blij je met Hem bent.

Je kunt natuurlijk rechtstreeks bidden tot God, maar ook tot Jezus de Heer. Maar ook Maria en andere 'heiligen' kun je vragen een goed woordje te doen bij God. Zij zijn er bekend, want ze zijn altijd bij Hem.

Je kunt bidden met woorden (mondgebed), maar ook diep van binnen (meditatie). Het mooiste is, als je je zo één voelt met God, dat je jezelf niet meer voelt, maar alleen nog bij Hem bent (inwendig gebed).

Het zal je vaak niet meevallen, echt aandachtig te bidden. Bidden is ook vechten met jezelf. Tegen al je gedachten, waar je God niet bij wilt hebben. Misschien kun je maar het beste denken aan een kind: zo onbezorgd en vrij kunnen bidden als zij.

 

Het belangrijkste gebed heeft Jezus ons geleerd, het 'Onze Vader'. Het is een samenvatting van het hele evangelie, en wordt overal gebeden.

Onze Vader die in de hemel zijt. Hoe dicht is God bij je, als je Hem 'Vader' mag noemen. Het is een woord van vertrouwen, zo als ook Jezus God kende van hart tot hart. De hemel is het eeuwig geluk, dat ook jou uitnodigt en wenkt.

Uw Naam worde geheiligd, uw Rijk kome, Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. God is de enige, Hem alleen wil je liefhebben. Als zijn Rijk gekomen is, is Hij onze Heer, en zijn zonde en dood voor altijd voorbij. Om dat te laten gebeuren, willen wij doen wat God wil, nu en altijd.

Geef ons heden ons dagelijks brood. Je mag God vragen alles wat goed voor je is. Je zult moeten eten om te leven, maar ook zijn woorden en sacramenten zijn voedsel voor iedere dag.

Vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven. Je bidt dat God je wil redden, zijn liefde geeft ondanks jezelf. Die liefde wil je dan ook geven aan allen die jou kwaad hebben gedaan.

Leid ons niet in bekoring maar verlos ons van het kwade. Je vraagt God om bescherming, en dat je uiteindelijk met Hem voor altijd gelukkig mag zijn.

"Amen". Een woord dat alle gebeden afsluit. Het betekent: "zo zij het".

 

Misschien dat je na dit spoorboekje ook tegen God kunt zeggen: "Amen". Dat het voor jou een wegwijzer mag zijn ook voor jouw geluk, het doel van je zoektocht. Doe er je voordeel mee, dat is het enige wat telt.

 

 

Spoorboekje naar God, © werkgroep katholieke jongeren, 1995; overgenomen met toestemming van de auteur. Ook online bij de wkj op internet.

 

 

Als je na het lezen hiervan denkt: eigenlijk zouden we samen eens een korte geloofscursus moeten houden om ons beter voor te bereiden op ons huwelijk, denk dan eens aan een Alpha-cursus. Op het internet kun je vinden of, wanneer en waar bij jou in de buurt zo'n cursus wordt gegeven...