Huwelijk, gezin en seksualiteit

volgens de Katechismus van de Katholieke Kerk

 

Het sacrament van het huwelijk

          I. Het huwelijk in Gods heilsplan

          II. De viering van het huwelijk

          III. De huwelijksinstemming (consensus)

          IV. De vruchten van het sacrament van het huwelijk

          V. Het goed en de eisen van de huwelijksliefde

          VI. De huiskerk

Samenvatting

Het zesde gebod (seksualiteit)

          I. "Man en vrouw schiep Hij hen..."

          II. De roeping tot kuisheid

          III. De liefde van de gehuwden

          IV. Zonden tegen de waardigheid van het huwelijk

Samenvatting

N.B. In deze weergave zijn alle voetnoten weggelaten. Wie de bronnen van alle citaten wil achterhalen, dient de internetpagina www.rkdocumenten.nl te raadplegen.

 

 

Het sacrament van het huwelijk

 

1601    "Het huwelijksverbond, waardoor man en vrouw met elkaar een algehele levensgemeenschap vormen die uit haar natuurlijke aard gericht is op het welzijn van de echtgenoten en op het voortbrengen en opvoeden van kinderen, is door Christus onze Heer tussen gedoopten verheven tot de waardigheid van sacrament".

 

I. Het huwelijk in Gods heilsplan

 

1602    De heilige Schrift begint met de schepping van man en vrouw naar Gods beeld en ge]ijkenis, en eindigt met het visioen van de "bruiloft van het Lam" (Apok. 19,7.9). Van het begin tot het einde spreekt de Schrift over het huwe­lijk en zijn "mysterle", over zijn instelling en de zin die God eraan gegeven heeft, over zijn oorsprong en doel, over de verschillende verwezenlijkingen er­van in de loop van de heilsgeschiedenis, over de problemen die voortkomen uit de zonde en over de vernieuwing van het huwe]ijk "in de Heer" (1 Kor. 7,39), in het Nieuwe Verbond van Christus en de kerk.

 

Het huwelijk in de scheppingsorde

 

1603    "De intieme levens- en liefdesgemeenschap die in het gehuwde paar gestalte krijgt, is door de Schepper ingesteld en verrijkt met haar eigen wetten. (...) God zelf is de stichter van het huwelijk". De roeping tot het huwelijk is gegrift in de natuur zelf van man en vrouw, zoals zij voortgekomen zijn uit de hand van de Schepper. Het huwe]ijk is geen louter menselijke instelling, ondanks de veel­vuldige variaties die het in de loop der eeuwen gekend heeft in de verschi]]ende culturen, sociale structuren en geesteshoudingen. Men mag bij deze verschei­denheid de gemeenschappelijke en blijvende kenmerken niet uit het oog verlie­zen. Hoewel niet overal de waardigheid van deze instelling met dezelfde he]derheid aan het licht treedt, bestaat er toch in alle culturen een zeker ge­voel voor de verhevenheid van de huwelijksband. "Want het welzijn van de persoon en van de menselijke en christelijke gemeenschap hangt nauw samen met een gezond huwelijks- en gezinsleven".

 

1604    God die de mens uit liefde in het bestaan heeft geroepen, heeft hem ook geroepen tot de liefde - een fundamentele roeping die iedere mens is aangeboren. De mens is immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis en God is zelf liefde. Omdat God de mens als man en vrouw geschapen heeft, wordt hun we­derzijdse liefde een afbeelding van de absolute en onverganke]ijke liefde van God voor ieder mens. De mens is goed, heel goed, in de ogen van de Schep­per, en deze liefde waar Gods zegen op rust, is bestemd om vruchtbaar te zijn en zich te verwezenlijken in de gemeenschappelijke opdracht om de schepping in stand te houden: "God zegende hen en God sprak tot hen: 'Weest vruchtbaar en wordt talrijk; bevolkt de aarde en onderwerpt haar"' (Gen, 1,28),

 

1605    De heilige Schrift bevestigt dat man en vrouw voor elkaar geschapen Zijn: "Het is niet goed dat de mens alleen blijft". De vrouw, "vlees van zijn vlees", dit wil zeggen zijn partner, zijn gelijke die hem heel nabij is, wordt door God aan de man gegeven als een "hulp", zodat zij "God van wie onze hulp zal ko­men", tegenwoordig stelt. "Zo komt het dat een man zijn vader en moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij één vlees worden" (Gen. 2,18‑25). Dat hiermee een onvergankelijke eenheid van beider leven bedoeld wordt, brengt de Heer ons in herinnering door te zeggen dat dit "in het begin" het plan van de Schepper was: "Zij zijn dus niet langer twee, één vlees als zij ge­worden zijn" (Mt. 19,6).

 

Het huwelijk onder de heerschappij van de zonde

1606    Ieder mens ervaart het kwade, om zich heen en in zichzelf. Deze ervaring kenmerkt ook de verhouding tussen man en vrouw. Te allen tijde werd hun band bedreigd door tweedracht, heerszucht, ontrouw, jaloersheid en botsingen die kunnen leiden tot haat en breuk. Deze wanorde kan, afhankelijk van de cultu­ren, tijden of individuen, meer of minder scherp tot uitdrukking komen en wordt al dan niet overwonnen; toch blijkt het om een algemeen gegeven te gaan.

 

1607    Vanuit het geloof beschouwd, komt deze wanorde - die wij met droefheid vaststellen - niet voort uit de aard zelf van man en vrouw, noch uit de aard van hun verhouding, maar uit de zonde. De eerste zonde was een breuk met God, het eerste gevolg ervan was de breuk in de oorspronkelijke gemeenschap van man en vrouw. Hun verhouding raakt verwrongen door wederzijdse verwij­ten; de wederzijdse aantrekking, die een gave van de Schepper is, verandert in een verhouding van heerschappij en begeerte; de mooie roeping van man en vrouw om vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en de aarde te on­derwerpen, wordt belast met de pijn van het baren en de moeite van de kost­winning.

 

1608    De scheppingsorde blijft echter bestaan, al is zij ernstig verstoord. Om van de wonden van de zonde te genezen, hebben man en vrouw de hulp nodig van de genade, die God hun in zijn oneindige barmhartigheid nooit geweigerd heeft. Zonder deze hulp kunnen man en vrouw er niet toe komen, de levens­eenheid te verwezenlijken waartoe God hen "in het begin" geschapen heeft.

 

Het huwelijk onder de pedagogie van de Wet

 

1609    God heeft in zijn barmhartigheid de zondige mens niet aan zijn lot overgela­ten. De straffen die op de zonde volgen, "de lasten van de zwangerschap" (Gen. 3,16), de arbeid "in het zweet des aanschijns" (Gen. 3,19), zijn ook een geneesmid­del dat de gevolgen van de zonde beperkt. Het huwelijk is na de zonde een hulp geworden om te verhinderen dat men zich in zichzelf keert, om het egoïsme en de genotzucht te overwinnen en zich open te stellen voor de ander, voor onderlinge steun, voor zelfgave.

 

1610    Het zedelijk besef omtrent de eenheid en onontbindbaarheid van het huwelijk heeft onder de pedagogie van de oude Wet een ontwikkeling gekend. De poly­gamie van de aartsvaders en koningen wordt nog niet uitdrukkelijk verwor­pen. Toch streeft de Wet van Mozes ernaar de vrouw tegen de willekeurige heerszucht van de man te beschermen, al draagt ook deze Wet, naar het woord van de Heer, de sporen van "de hardheid van het hart" van de mens. Daarom laat Mozes ook toe dat men zijn vrouw wegzendt.

 

1611    De profeten zien de exclusieve en trouwe huwelijksliefde als een beeld van het verbond van God met Israël en hebben hiermee het geweten van het uitver­koren volk voorbereid op een verdiept inzicht van de eenheid en onontbind­baarheid van het huwelijk. De boeken Ruth en Tobit bevatten ontroerende getuigenissen over de verheven zin van het huwelijk, over trouw en genegen­heid van echtgenoten. De Overlevering heeft het Hooglied steeds beschouwd als een onvergelijkelijke uitdrukking van menselijke liefde, een zuivere weerspie­geling van de liefde van God, een liefde die "sterk is als de dood", die "geen stortvloed van water kan blussen" (Hoogl. 8,6‑7).

 

Het huwelijk in de Heer

 

1612    Het huwelijksverbond tussen God en zijn volk Israël was een voorbereiding op het Nieuwe en eeuwige Verbond. Hierin. heeft de Zoon van God, door mens te worden en zijn leven te geven, zich in zekere zin verenigd met heel de mensheid die door Hem verlost is en zodoende bereidt Hij de "bruiloft van het Lam" voor (Apok. 19,7.9).

 

1613    In het begin van zijn openbaar leven verrichtte Jezus, op verzoek van zijn Moe­der, zijn eerste teken tijdens een bruiloftsfeest. De kerk kent een groot belang toe aan de aanwezigheid van Jezus op de bruiloft van Kana. Zij beschouwt dit als een bevestiging van de goedheid van het huwelijk; hiermee wordt aange­kondigd dat het huwelijk voortaan een werkzaam teken zal zijn van de aanwe­zigheid van Christus.

 

1614    In zijn prediking onderrichtte Jezus ondubbelzinnig de oorspronkelijke betekenis van de vereniging van man en vrouw, zoals de Schepper het in het begin gewild had: de toestemming van Mozes om een vrouw weg te zenden, was een toegeven aan de hardheid van het hart; de huwelijksband tussen man en vrouw is onontbindbaar: God zelf heeft die gesloten: "Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden" (Mt. 19,6).

 

1615    Deze ondubbelzinnige nadruk op de onontbindbaarheid van de huwelijksband heeft menigeen onthutst en kan overkomen als een eis die niet te verwezenlijken is. Toch heeft Jezus de gehuwden niet beladen met een ondraaglijke last, die zwaarder zou zijn dan de Wet van Mozes. Wanneer Hij de oorspronkelijke scheppingsorde die door de zonde verstoord was, komt herstellen, geeft Hij ook zelf de kracht en de genade om het huwelijk in deze nieuwe dimensie van het rijk Gods te beleven. Door Christus te volgen, zichzelf te verloochenen, hun kruis op te nemen, zullen de gehuwden de oorspronkelijke betekenis van het huwelijk kunnen "begrijpen" en er met de hulp van Christus naar kun­nen leven. Deze genade van het christelijk huwelijk is een vrucht van het kruis van Christus, bron van elk christelijk leven.

 

1616    De apostel Paulus maakt dit duidelijk wanneer hij zegt: "Mannen, hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgele­verd om haar te heiligen" (Ef. 5,25-26), en er meteen aan toevoegt: "'Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen een vlees zijn'. Dit geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij be­trek het op Christus en de kerk" (Ef. 5,31-32).

 

1617    Heel het christelijk leven draagt het merkteken van de huwelijksliefde tussen Christus en de kerk. Reeds het doopsel, intrede in het Volk van God, is een bruidsmysterie: het is als het ware het waterbad voor het huwelijk dat aan het bruiloftsmaal, de eucharistie, voorafgaat. Het christelijk huwelijk wordt op zijn beurt werkzaam teken, sacrament, van het verbond tussen Christus en de kerk. Het huwelijk tussen gedoopten is waarlijk een sacrament van het Nieu­we Verbond, omdat het de genade ervan aanduidt en meedeelt.

 

 

II. De viering van het huwelijk

 

1621    In de Latijnse ritus heeft de viering van het huwelijk tussen twee katholieke gelovigen gewoonlijk plaats tijdens de heilige Mis, wegens de band van alle sacramenten met het paasmysterie van Christus. In de eucharistie komt de ge­dachtenis van het Nieuwe Verbond tot stand, waarin Christus zich voor altijd heeft verenigd met de kerk, zijn geliefde bruid, voor wie Hij zich heeft overge­leverd. Het is dus passend dat echtgenoten hun instemming om zich door de offerande van hun leven aan elkaar te geven, bezegelens zowel door hun offerande te verenigen met die van Christus voor zijn kerk ‑offerande die in het eucharistisch offer tegenwoordig gesteld wordt‑, als door de eucharistie te ont­vangen. Want door te communiceren aan hetzelfde lichaam en bloed van Christus vormen zij nog slechts één lichaam in Christus.

 

1622            "Aangezien de liturgische viering van het huwelijk een sacramentele daad van heiliging is, moet zij (...) uit zichzelf geldig, waardig en vruchtbaar zijn". Het is dus passend dat toekomstige echtgenoten zich door het ontvangen van het boetesacrament op de viering van hun huwelijk voorbereiden.

 

III De huwelijksinstemming (consensus)

 

1625    De hoofdpersonen van het huwelijksverbond zijn een gedoopte man en een gedoopte vrouw, vrij om het huwelijk te sluiten, die in vrijheid hun instemming geven. "Vrij zijn" betekent:

- niet onder dwang handelen;

- niet belet zijn door een wet van de natuur of van de kerk.

 

1625    De kerk beschouwt de instemming (consensus) die de echtgenoten uitwisselen als het onontbeerlijk element " waardoor het huwelijk tot stand komt". Zonder instemming is er geen huwelijk.

 

1627    De instemming bestaat uit een "menselijke daad waardoor de echtgenoten zich wederzijds geven en ontvangen": "Ik aanvaard je als mijn vrouw. Ik aanvaard je als mijn man". Deze instemming die beide echtgenoten met elkaar verbindt, komt tot voltooiing doordat beiden "één vlees worden".

 

1628    De instemming moet een daad van de wil van elk van beide partijen zijn, vrij van dwang of ernstige vrees van buitenaf. Door geen enkele menselijke macht kan deze instemming vervangen worden. Als deze vrijheid ontbreekt, is het huwelijk ongeldig.

 

1629    Om deze reden (of om andere redenen die het huwelijk nietig maken) kan de kerk nadat de situatie door een bevoegde kerkelijke rechtbank onderzocht is "het huwelijk nietig verklaren" dit wil zeggen: vaststellen dat het huwelijk nooit heeft bestaan. In deze gevallen zijn beide partijen vrij om te huwen al moeten ze zich houden aan natuurlijke verplichtingen die voortvloeien uit een eventuele voorafgaande verbintenis.

  

1630    De priester (of de diaken) die bij de huwelijkssluiting assisteert, aanvaardt de instemming van de echtgenoten in naam van de kerk en spreekt er de zegen van de kerk over uit. De aanwezigheid van de kerkelijke bedienaar (en ook van de getuigen) drukt op zichtbare wijze uit dat het huwelijk een kerkelijke dimensie heeft.

 

1631    Daarom vraagt de kerk in de regel aan de gelovigen de kerkelijke vorm van de huwelijkssluiting te eerbiedigen. Er zijn verschillende redenen voor deze bepaling:

  • het sacramentele huwelijk is een liturgische handeling. Het is daarom passend het in de openbare liturgie van de kerk te vieren;

  • door het huwelijk wordt men ingevoegd in een kerkelijke ordo, waardoor binnen de kerk tussen de gehuwden onderling en tegenover de kinderen rechten en plichten ontstaan;

  • aangezien het huwelijk een levensstaat in de kerk is, moet er zekerheid bestaan over het huwelijk (vandaar de verplichting getuigen te hebben);

  • het publieke karakter van de instemming beschermt het eenmaal gegeven jawoord en is een hulp om er trouw aan te blijven.

1632    Opdat het jawoord van de echtgenoten een vrije en verantwoordelijke daad is, en het huwelijksverbond, zowel vanuit menselijk als vanuit christelijk oogpunt, een stevige en duurzame grondslag heeft, is een voorbereiding op het huwelijk van allerhoogst belang:

 

Het voorbeeld en het onderricht van de ouders en de familie blijven de bevoorrechte weg voor deze voorbereiding.

 

De zielzorgers en de christelijke gemeenschap spelen als "huisgenoten van God" een onontbeerlijke rol in de overdracht van de menselijke en christelijke waarden van het huwelijk en het gezin. Vooral in onze tijd is dit belangrijks gezien het feit dat vele jongeren komen uit gebroken gezinnen die niet meer voldoende borg kunnen staan voor deze initiatie:

 

Jongeren moeten op aangepaste wijze en tijdig worden voorgelicht - bij voorkeur in de schoot van het gezin zelf- over de waardigheid van de huwelijksliefdes de functie en uitoefening ervan opdat zij gevormd tot een kuis leven na een eerbare verloving te gepaster tijd kunnen trouwen.cit.

 

De gemengde huwelijken en het verschil in eredienst

 

1633    In  vele landen komen gemengde huwelijken (tussen een katholiek en een gedoopte niet katholiek) vrij vaak voor. Zij vragen bijzondere aandacht van de echtgenoten en zielzorgers; de huwelijken waar sprake is van een verschil in eredienst (tussen een katholiek en een niet-gedoopte) verlangen een nog grotere omzichtigheid.

 

1634    Het verschil in confessie tussen de echtgenoten is geen onoverkomelijke hindernis voor het huwelijks mits beiden met elkaar weten te delen wat elk in zijn eigen gemeenschap heeft ontvangen en zij van elkaar leren hoe zij hun trouw aan Christus beleven. Men moet echter de moeilijkheden bij gemengde huwelijken niet onderschatten. Die komen voort uit het feit dat de verdeeldheid onder de christenen nog niet overwonnen is. De echtgenoten lopen het gevaar de weerslag van het drama van de verdeeldheid onder de christenen in hun eigen gezin te ondervinden. Het verschil in eredienst kan de moeilijkheden nog vergroten. Verschil van mening over het geloof, verschil in opvattingen over het huwelijk zelf, maar ook het verschil in godsdienstige mentaliteit kunnen in het huwelijk een bron van spanningen zijn voornamelijk bij de opvoeding van kinderen. Men kan dan verleid worden tot godsdienstige onverschilligheid.

 

1635    Voor een geoorloofd gemengd huwelijk is volgens het recht dat in de Latijnse kerk van kracht is de uitdrukkelijke toestemming van het kerkelijk gezag nodig. In geval van verschil in eredienst is voor de geldigheid van het huwelijk een uitdrukkelijke dispensatie in het beletsel vereist. Deze toestemming of dispensatie veronderstelt dat beide partijen de doeleinden en wezenlijke eigenschappen van het huwelijk kennen en niet uitsluiten, en verder dat de katholieke partij de verplichtingen bevestigt, welke bekend zijn gemaakt aan de niet-katholieke partij, zodat zij ze kent, namelijk dat zijn of haar geloof bewaard blijft en dat het doopsel en de opvoeding van de kinderen binnen de katholieke kerk zeker gesteld wordt.

 

1636    Dank zij de oecumenische dialoog hebben in vele streken de betreffende christelijke gemeenschappen een gemeenschappelijke pastorale benadering voor gemengde huwelijken opgezet. Ze heeft tot taak voor deze echtparen een hu]p te zijn om hun bijzondere situatie in het licht van het geloof te beleven. Ze moet hen ook helpen de spanningen te overwinnen die kunnen ontstaan vanwege de verplichtingen die de echtgenoten tegenover elkaar en tegenover hun kerkelijke gemeenschappen hebben. Ze moet de ontplooiing van wat de echtgenoten in het geloof gemeenschappelijk hebben en het respect voor wat hen van elkaar scheidt aanmoedigen.

 

1637    Bij huwelijken met verschil in eredienst heeft de katholieke partij een bijzondere taak; want "met de vrouw is de niet-gelovige man geheiligd en met de man de niet-gelovige vrouw" (1 Kor. 7,14). Het is een grote vreugde voor de christelijke partij en voor de kerk wanneer deze "heiliging" leidt tot een vrijwillige bekering van de andere partij tot het christelijk geloof. Oprechte huwelijksliefde, de nederige en geduldige beleving van de familiale deugden en het volhardend gebed kunnen de niet-gelovige partner erop voorbereiden de genade van de bekering te ontvangen.

 

IV. De vruchten van het sacrament van het huwelijk

 

1638    "Uit een geldig huwelijk ontstaat tussen de echtgenoten een band, die van nature blijvend en exclusief is; bovendien worden in een christelijk huwelijk de echtgenoten door een bijzonder sacrarnent voor de plichten en de waardigheid van hun staat gesterkt en als het ware gewijd".

 

De huwelijksband

 

1639    Het jawoord waardoor beide echtgenoten zich wederzijds geven en ontvangen, wordt door God zelf bezegeld. Uit hun verbond "ontstaat een instelling die naar Gods ordening blijvend is, ook ten overstaan van de maastchappij". Het verbond van de echtgenoten voegt zich in het verbond van God met de mensen: "De echte huwelijksliefde wordt opgenomen in de goddelijke liefde" .

 

1640    De huwelijksband words dus door God zelf tot stand gebracht, zodat het huwe­lijk dat tussen gedoopten aangegaan en voltrokken is, nooit onsbonden kan wor­den. Deze band is het resultaat van een vrije menselijke daad van de echtgenoten en van de voltrekking van het huwelijk. Hij is een realiteit die voortaan onherroepelijk is en die de oorsprong is van een verbond waarvoor de trouw van God borg staat. De kerk is niet bij machte zich tegen deze beschikking van de goddelijke wijsheid uit te spreken.

 

De genade van het sacrament van het huwelijk

 

1641    "In hun levenstaat en orde hebben [de christelijke echsgenoten] binnen het Volk van God hun eigen gave". De genade die eigen is aan het sacrament van het huwelijk is bestemd om de liefde van de echtgenoten te vervolmaken en hun onverbrekelijke eenheid te versterken. Door deze genade "helpen zij el­kaar tot heiliging in het echselijk leven en in het aanvaarden en opvoeden van hun kinderen.

 

1642            Christus is de bron van deze genade. "Zoals God eertijds zijn volk tegemoet is gegaan in een verbond van liefde en trouw, zo komt nu de Verlosser van de mensen en de Bruidegom van de kerk de christelijke echtgenosen segemoes in het sacrament van het huwelijk". Hij blijft hun nabij, geeft hun de kracht Hem te volgen door hun kruis op te nemen, weer op te staan wanneer zij strui­kelen, elkaar te vergeven, elkaars lasten te dragen, "elkaar onderdanig te zijn uit onszag voor Christus" (Ef. 5,21) en elkaar te beminnen met een bovenna­tuurlijke, fijngevoelige en vruchtbare liefde. In de vreugde van hun liefde en gezinsleven geeft Hij hun reeds hier op aarde een voorsmaak van het bruiloftsmaal van het Lam:

 

Waar zal ik de kracht vinden om het geluk van het huwelijk te beschrijven dat door de kerk gesloten wordts dat door het [eucharistisch] offer bevestigd en door de zegen bezegeld wordt dat de engelen aankondigen en de Vader bekrachtigt ? (...) Welk een mooi paar vormen die twee gelovigens die één hoop, één wens, eenzelfde levenswijze hebbens die dezelfde Heer dienen. Zij zijn beiden kinderen van dezelfde vaders zij zijn beiden die­naars van dezelfde Heer; noch naar de geest noch naar het vlees is er ook maar de minste verdeeldheid, zij zijn in de volle zin van het woord twee in één vlees. Maar waar één vlees iss daar is ook één geest.


V. Het goed en de eisen van de huwelijksliefde

 

1643    Het totale karakter van de echtelijke liefde omvat alle componenten van de persoon: appèl van het lichaam en van het instinct, kracht van het gevoel en van de affectiviteit, aspiratie van de geest en van de wil. Deze liefde streeft naar een diep persoonlijke eenheid die, boven de vereniging in een vlees uit, een van hart en ziel maakt; zij vereist de onontbindbaarheid en de trouw aan de weder­zijdse definisieve overgave en stels zich open voor de vruchtbaarheid. Kortom, het gaat om de normale kenmerken van iedere natuurlijke huwelijksliefde, maar met een nieuwe zin; kenmerken die de christelijke huwelijksliefde niet alleen zuivert en bevestigt, maar zodanig verheft dat ze uitdrukking worden van echt christelijke waarden."

 

De eenheid en onontbindbaarheid van het huwelijk

 

1644            Krachtens haar aard zelf eist de liefde van de echtgenoten eenheid en onontbindbaarheid van hun personengemeenschap, die alle terreinen van hun leven omvat: “Zij zijn dus niet langer twee, een vlees als zij geworden zijn" (Mt. 19,6). "Zij zijn geroepen om voortdurend te groeien in eenheid door de trouw waarmee zij zich dagelijks houden aan hun huwelijksbelofte zich totaal aan el­kaar te geven. “Deze menselijke gemeenschap wordt bevestigd, gelouterd en voltooid door de gemeenschap in Jezus Christus, die geschonken words door het sacrament van het huwelijk. Ze wordt verdiept door een gemeenschappe­lijk geloofsleven en een gezamenlijk ontvangen van de eucharistie.

 

1645    "De gelijke persoonswaarde van vrouw en man, die haar uitdrukking behoort te vinden in een wederzijdse onvoorwaardelijke liefde, is een duidelijk teken van de door God gewilde eenheid van het huwelijk". Polygarnie is tegen­gesteld aan deze gelijkwaardigheid en aan de huwelijksliefde die uniek en ex­clusief is.

 

De trouw in de huwelijksliefde

 

Krachtens haar aard zelf eist de huwelijksliefde van de echsgenosen een onschendbare trouw. Dit volgt uit het feit dat de echtgenoten zich wederzijds aan elkaar geven. Liefde wil definitief zijn. Ze kan niet "tot nader order" zijn. "Juist als wederzijdse overgave van twee personen verplichten deze intieme vereniging, alsook het welzijn van de kinderen, de echtgenoten tot algehele trouw, zij ei­sen hun onverbrekelijke eenheid"

 

1647    Het diepste motief vindt men in de trouw van God aan zijn verbond, van Christus aan zijn kerk. Het sacrament van het huwelijk maakt de echtgenoten bekwaam deze trouw tegenwoordig te stellen en ervan te getuigen. Door het sacrament ontvangt de onontbindbaarheid van het huwelijk een nieuwe en die­pere zin.

 

1648    Het kan moeilijk of zelfs onmogelijk lijken zich voor het leven aan een mens te binden. Daarom is het ook zo belangrijk de blijde boodschap te verkondi­gen dat God ons bemint met een definitieve en onherroepelijke liefde, dat de echtgenosen aan deze liefde deelhebben, dat zij erdoor gedragen en gesteund worden, en dat zij door hun trouw getuigen mogen zijn van Gods trouwe lief­de. Echtgenoten die met de genade van God vaak in moeilijke omstandigheden dit getuigenis afleggen, verdienen de dankbaarheid en de steun van de kerkelij­ke gemeenschap.

 

1649    Er bestaan echter situaties waarin het echtelijk samenleven om uiteenlopende redenen praktisch onmogelijk wordt. In zulke gevallen staat de kerk een fysieke scheiding van de echtgenoten en beëindiging van het echtelijk samenleven toe. Voor God blijven ze echter elkaars man en vrouw. Het staat hun niet vrij om een nieuwe verbintenis aan te gaan. Indien mogelijk is in deze moeilij­ke situatie verzoening de beste oplossing. De christelijke gemeenschap wordt ertoe geroepen de­ze personen te helpen hun situatie op christelijke wijze te belevens in trouw aan hun huwelijksbands die onontbindbaar blijft.

 

1650    In vele landen komt het tegenwoordig vaak voor dat katholieken hun toevlucht nemen tot burgerlijke echtscheiding en een nieuwe burgerlijke verbintenis aangaan. Uit trouw aan het woord van Jezus Christus ("Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwts maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk. En wanneer zij haar man wegzendt en een andere huwts begaat zij echt­breuk": Mc. 10,11‑12) houdt de kerk eraan vast dat zij een nieuwe verbintenis niet als geldig kan erkennens indien de eerste verbintenis het ook was. Indien de gescheiden echtgenoten bur­gerlijk hertrouwd zijns bevinden zij zich in een situatie die objectief ingaat tegen de Wet van God. Daarom kunnen zijs zolang deze situatie duurt, de eucharistische communie niet ontvan­gen. Om dezelfde reden kunnen zij bepaalde kerkelijke functies niet waarnemen. De verzoening door het boetesacrament kan enkel verleend worden aan hen die er spijt over hebben het teken van het verbond en de trouw aan Christus geschonden te hebben en zich voornemen in volledige onthouding te leven.

 


1651    De priesters en heel de gemeenschap moeten jegens christenen die in een dergelijke situatie le­vens en die vaak het geloof behouden hebben en hun kinderen christelijk willen opvoedens blijk geven van zorg en aandachts opdat zij niet gaan denken dat zij buiten de kerk staan. Als gedoop­ten kunnen en moeten zij immers deelnemen aan het kerkelijk leven: men zal hen uitnodigen naar het woord van God te luisterens het misoffer bij te wonen, te volharden in het gebeds hun bijdrage te leveren aan caritatieve werken en aan initiatie­ven van de gemeenschap voor een rechtvaardige samenlevings de kinderen op te voeden in het geloofs zich toe te leggen op de geest en de werken van boetvaardigheids om dag in dag uit de genade van de Heer af te smeken.

 

Openstaan voor de vruchtbaarheid

 

1652            "Krachtens hun aard zelf zijn de instelling van het huwelijk en de huwelijksliefde geordend op voortplanting en opvoeding, en zij vinden daarin als het ware hun bekroning.”  De kinderen zijn het mooiste geschenk van het huwelijk en zij dragen in hoge mate bij tot het welzijn van de ouders zelf. Gods die gezegd heeft: "Het is niet goed voor de mens dat hij alleen blijft" (Gen. 2,18) en die "in het begin de mens als man en vrouw gescha­pen heeft" (Mt. 19,4), wilde de mens op een bijzondere wijze laten deelnemen aan zijn eigen scheppingswerk en heeft daarom man en vrouw gezegend met de woorden: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u" (Gen. 1,28). Daarom is de echte cultuur van de huwelijksliefde evenals het hele patroon van het gezinsleven dat daaruit groeit, zonder af te doen aan de overige doeleinden van het huwelijks erop gericht dat echtgenoten van harte bereid zijn mee te werken met de liefde van de Schepper en Verlosser, die door hen voortdurend zijn gezin uitbreidt en verrijkt.

 

1653    De vruchtbaarheid van de huwelijksliefde strekt zich ook uit tot de vruchten van het zedelijk, geestelijk en bovennatuurlijk leven, das de ouders door de op­voeding aan hun kinderen overdragen. De ouders zijn de eerste en voornaamste opvoeders van hun kinderen. In deze zin is de dienstbaarheid aan het leven de meest wezenlijke zaak van het huwelijk en het gezin.

 

1654    De echtgenoten aan wie God niet gegeven heeft kinderen te hebben, kunnen menselijk en christelijk gesproken toch een zinvol huwelijksleven leiden. Hun huwelijk kan een vruchtbaarheid uitstralen, die zich uit in de liefdadigheid, gast­vrijheid en opoffering.

 

VI. De huiskerk

 

1655            Christus wilde geboren worden en opgroeien in het heilig huisgezin van Jozef en Maria. De kerk is niets anders dan "het huisgezin van God". Vanaf het begin bestond de kern van de kerk vaak uit hen die "met heel hun huis" het geloof aangenomen hadden. Wanneer zij zich bekeerden, verlangden zij ook dat "heel hun huis" gered zou worden. Tot het geloof gekomen, waren deze gezinnen eilandjes van christelijk leven in een wereld van ongeloof.

 

1656    Heden ten dage zijn gelovige gezinnen, als haarden van levend en stralend geloof in een wereld die vaak vreemd of zelfs vijandig staat segenover het geloof, van het allerhoogste belang. Daarom noemt het tweede Vaticaans concilie het gezin volgens een oude uitdrukking ecclesia domestica. In het gezin zijn "de ouders door woord en voorbeeld voor hun kinderen de eerste geloofsverkon­digers en zij­ dienen de eigen roeping van elk onder hen, heel bijzonder wanneer het om een gewijde roeping gaat, met zorg te bevorderen".

 

1657    Dit is de bevoorrechte plaast waar het in de doop verleende priesterschap van de huisvader, de moeder, de kinderen en van alle leden van het gezin, uitgeoefend kan worden "in het ontvangen van de sacramenten, in het gebed en de dankzegging, in het gesuigenis van een heilig leven, in de onshechsing en de daadwerkelijke liefde." De huiselijke haard is bijgevolg de eerste school voor het christelijk leven en is een school voor een rijkere menselijkheid". Hier leert men de volharding en de vreugde in het werk, de broederliefde, de edel­moedige, zelfs herhaalde vergeving en vooral de goddelijke eredienst door het gebed en de opoffering van zijn leven.

 

1658    We moeten nog melding maken van sommige personen die wegens feitelijke ' vaak ongewilde'  levensomstandigheden Jezus bijzonder na aan het hart lig­gen en daarom de genegenheid en de toegewijde aandacht van de kerk en voor­al van de zielzorgers verdienen: het grote aantal ongehuwden. Velen onder hen hebben geen menselijk huisgezin, vaak vanwege armoede. Sommigen beleven hun situatie in de geest van de zaligsprekingen en dienen God en hun naaste op voorbeeldige wijze. Voor hen allen moeten de deuren van de gezinnen, de "huis­kerken", geopend worden, evenals de deuren van het grote gezin dat de kerk is. "Niemand is zonder gezin in deze wereld: de kerk is tehuis en gezin voor allen, vooral voor hen die 'vermoeid en belast' (Mt. 11,28) zijn".

 

 

IN HET KORT: HUWELIJK

 

1659    De heilige Paulus zegt.. "Mannen' hebt uw vrouw lief, zoals Christus de kerk heeft liefgehad. (...) Dit geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de kerk" (Ef. 5,25.32).

 

1660    Het huwelijksverbond, waardoor man en vrouw met elkaar een innige ge­meenschap van leven en liefde vormen, werd door de Schepper gesticht en van eigen wetten voorzien. Het is van nature gericht op het welzijn van de echtgenoten en op het voortbrengen en opvoeden van kinderen. Het is door Christus onze Heer tussen gedoopten tot de waardigheid van sacrament verheven.

 

1661    Het sacrament van het huwelijk duidt de vereniging van Christus met de kerk aan. Het geeft aan de echtgenoten de genade elkaar te beminnen met de liefde waarmee Christus zijn kerk bemint; de genade van het sacrament vervolmaakt aldus de menselijke liefde van de echtgenoten, versterkt hun onverbrekelijke eenheid en heiligt hen op de weg naar het eeuwig leven.

 

1662    Het huwelijk is gegrondvest op het instemming van beide partijen, dit wil zeggen op de wil zich wederzijds en definitief aan elkaar te schenken met de bedoeling een trouw en vruchtbaar liefdesverbond te leven.

 

1663            Aangezien het huwelijk de echtgenoten in een openbare levensstaat binnen de kerk stelt, is het passend dat het ook openbaar gevierd wordt, in het kader van een liturgische plechtigheid, ten overstaan van een priester (of de bevoeg­de getuige van de kerk), de getuigen en de vergadering van de gelovigen.

 

1644    De eenheid, de onontbindbaarheid en de openheid voor de vruchtbaarheid zijn wezenlijke elementen van het huwelijk. Polygamie is onverenigbaar met de eenheid van het huwelijk; echtscheiding verbreekt wat God verenigd heeft; weigering van de vruchtbaarheid houdt het huwelijksleven af van zijn "mooiste gave" het kind.

 

1665    Het hertrouwen van gescheiden mensen, terwijl de wettige echtgenoot nog leeft, gaat in tegen het plan en de Wet van God, die Christus ons geleerd heeft. Deze mensen staan niet buiten de kerk, maar kunnen niet naderen tot de eucharistische communie. Zij zullen een christelijk leven leiden, met narne door hun kinderen in het geloof op te voeden.

 

1666    Het christelijk gezin is de plaats waar de kinderen het eerste geloofsonderricht ontvangen. Daarorn ook wordt het huisgezin terecht "huiskerk"genoemd, een gemeenschap van genade en gebed, een school voor de menselijke deugden en de christelijke liefde.

 

 

 


Het zesde gebod (seksualiteit)

 

 

I. "Man en vrouw schiep Hij hen..."

 

2331    "God is liefde. In zichzelf beleeft Hij een mysterie van gemeenschap en van liefde. Als God het menszijn van de man en de vrouw naar zijn beeld schept, prent Hij hen ook de roeping tot liefde en gemeenschap in evenals het vermogen ertoe en de verantwoordelijkheid ervoor.

 

"God schiep de mens naar zijn beeld (...), man en vrouw schiep Hij hen" (Gen. 1,27); "Wees vruchtbaar en word talrijk" (Gen. 1,28); "Op de dag dat God Adam schiep, maakte Hij hem op God gelijkend. Man en vrouw schiep Hij hen; Hij zegende hen en noemde hen mens op de dag dat zij geschapen wer­den" (Gen. 5,1‑2).

 

2332            Wegens de eenheid van lichaam en ziel beïnvloedt de seksua­liteit alle aspecten van de menselijke persoon. Heel in het bij­zonder heeft ze te maken met de affectiviteit, het vermogen om lief te hebben en zich vaart te planten, en in algemenere zin met de geschiktheid om met een ander banden van gemeenschap aan te knopen.

 

2333            Iedereen, man en vrouw, heeft als opgave zijn geslachtelijke identiteit te erkennen en te aanvaarden. Het fysiek, moreel en geestelijk verschil tussen man en vrouw en de complementariteit zijn afgestemd op de waarden van het huwelijk en op de ontplooi­ing van het gezinsleven. Het harmonieuze leven van het echtpaar en van de samenleving hangt gedeeltelijk af van de wijze waarop tussen de geslachten de wederzijdse aanvulling, de behoefte en de steun aan elkaar be­leefd worden.

 

2334    "Door de mens als man en vrouw te scheppen, kent God aan de man en de vrouw op gelijke wijze persoonlijke waardigheid toe". "De mens is een per­soon en dat geldt in gelijke mate zowel voor de man als voor de vrouw, want beiden zijn geschapen naar, het beeld en de gelijkenis van een persoonlijke God".

 

2335    Elk van beide geslachten is, weliswaar op verschillende wij­ze, maar met dezelf­de waardigheid het beeld van de kracht en de tederheid van God. De vereniging van man en vrouw in het hu­welijk is een manier om de edelmoedigheid en de vruchtbaarheid van de Schepper lichamelijk uit te beelden: "Zo komt het dat een man zijn vader en zijn moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij volkomen één worden" (Gen. 2,24). Uit deze vereni­ging komen alle men­selijke geslachten voort. Jezus is gekomen om de schepping in de zuiverheid van haar oorsprong te herstellen. In de bergrede vertolkt Hij op een on­dub­belzinnige wijze het plan van God: "Gij hebt gehoord dat er gezegd is: 'Gij zult geen echtbreuk plegen'. Maar ik zeg u: 'Al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd"' (Mt. 5,27‑28). Wat God heeft verbonden zal de mens niet scheiden.

 

De kerkelijke Overlevering heeft het zesde gebod steeds gezien als een gebod dat het gehele domein van de menselijke seksuali­teit omvat.

 

II. De roeping tot kuisheid.

 

2337            Kuisheid betekent de geslaagde integratie van de seksua­li­teit in de persoonlijkheid en wijst daarmee op de innerlijke eenheid van de mens als lichamelijk en geestelijk wezen. In de seksualiteit komt tot uitdrukking dat de mens deel uit­maakt van de lichamelijke en biologische wereld; deze seksualiteit wordt echt persoonlijk en menswaardig beleefd, wanneer ze opgenomen wordt in de rela­tie tussen twee personen, in de volledige wederzijdse overgave van man en vrouw, onbeperkt van duur. De deugd van kuisheid omvat dus zowel de gaafheid van de persoon als de vol­ledigheid van de gave.

 

De gaafheid van de persoon

2338    De kuise mens zorgt voor de integriteit van de levens‑ en de liefdeskrachten, die in hem aanwezig zijn. Deze integriteit staat borg vaar de eenheid van de persoon en verzet zich tegen elk gedrag dat die eenheid aantast. Ze duldt geen dubbelzinnigheid, noch in de manier van leven noch in de wijze van spreken.

 

2339            Kuisheid veronderstelt een leerproces van zelfbeheersing, dat bestaat in een opvoeding van de menselijke vrijheid. Het alternatief is duidelijk: ofwel beheerst de mens zijn hartstochten en bereikt vrede, ofwel laat hij zich erdoor beheer­sen en wordt ongelukkig. "De waardigheid van de mens vereist dat hij han­delt in wel bewuste en vrije keuze, persoonlijk, namelijk van binnen uit bewogen en aangezet, en niet door een blinde innerlijke drift of daar een louter uiterlij­ke dwang. Een dergelijke waardigheid verkrijgt de mens, wanneer hij zich vrij­maakt uit elke gevangenschap van de hartstochten, zijn einddoel nastreeft in een vrije keuze van het goede en zich verzekert van de juiste hulpmiddelen, daadwerkelijk en in naarstige toeleg.

 

2340    Wie trouw wil blijven aan de beloften van zijn doopsel en weerstand bieden aan de bekoringen, zal ervaar moeten zorgen de juiste middelen aan te wen­den: zelfkennis, beoefening van de ascese aangepast aan de concrete situaties, onderhouden van Gods geboden, beoefenen van de zedelijke deugden en trouw aan het gebed. "Door de onthouding worden wij namelijk bijeengebracht en teruggebracht naar het Ene, dat wij hebben verlaten om tot de vele dingen te vervallen".

 

2341    De deugd van kuisheid behoort tot het domein van de kardi­nale deugd van matigheid, die de zinnelijke hartstochten en stre­vingen van de mens van de rede wil doordringen.

 

2342            Zelfbeheersing is een zaak van lange adem. Men mag nooit den­ken dat men ze eens voor altijd verworven heeft. In elke le­vens­fase zal men zich ervoor moeten inspannen. De vereiste inpanning kan intenser zijn in bepaalde perioden van het leven, wanneer bijvoorbeeld de persoonlijkheid gevormd wordt, in de kin­derjaren en de jonge volwassenheid.

 

2343    De kuisheid kent bepaalde groeiwetten, die verlopen via fasen, waarin zij nog onvolmaakt is en maar al te vaak onderhevig aan zonde. "De deugdzame en kuise mens moet zichzelf, dag in dag uit, vormen door middel van talrijke, her­haalde en vrije keuzen. Zo leert hij het zedelijk goede kennen, beminnen en beoefenen volgens de verschillende fasen van een groeiproces".

 

2344    De kuisheid is weliswaar een zeer persoonlijke opgave, maar ze veronderstelt ook een culturele inspanning, want "de groei van de menselijke persoon en de uitbouw van de maatschappij zelf zijn van elkaar afhankelijk". De kuisheid veronderstelt eerbied voor de rechten van de persoon, in het bijzonder voor het recht op die informatie en opvoeding, die de morele en spirituele dimensies van het menselijk leven eerbiedigen.

 

2345    De kuisheid is een morele deugd. Maar het is ook een gave van God, een genade, een vrucht van geestelijke oefening. De heilige Geest geeft aan hen, die door het water van het doopsel herboren werden, de genade om de zuiverheid van Christus na te volgen.

 

De volledigheid van de zelfgave

2346    Liefde is het vormend beginsel van alle deugden. Onder haar invloed wordt de kuisheid als het ware de leerschool voor de zelfgave van de persoon. Zelfbe­heersing is gericht op de gave van zichzelf. Wie de kuisheid beoefent, wordt daardoor voor zijn naaste een getuige van de trouw en de tederheid van God.

 

2347    De deugd van kuisheid komt tot bloei in de vriendschap. Zij wijst de leerling van Christus erop hoe men Hem kan volgen en navolgen, die ons tot zijn ei­gen vrienden heeft uitgekozen, zich totaal voor ons heeft gegeven en ons laat delen in zijn goddelijk leven. Kuisheid is belofte van onsterfelijkheid.

 

De kuisheid krijgt vooral gestalte in de vriendschap met de naaste, vriendschap die groeit tussen personen van hetzelfde of van verschillend geslacht, betekent een grote weldaad voor allen. Ze leidt tot de geestelijke gemeenschap.

 

De verschillende vormen van kuisheid

2348    Elke gedoopte is geroepen tot kuisheid. De christen is "be­kleed met Christus" (Gal. 3,27), het voorbeeld bij uitstek van kuisheid. Alle gelovigen zijn ertoe ge­roepen een leven te leiden in kuisheid, volgens hun persoonlijke levensstaat.

Door het doopsel heeft de christen zich ertoe verplicht zijn gevoelsleven in kuis­heid te leiden.

 

2349    "De kuisheid tekent de personen volgens hun verschil in levensstaat: sommigen in maagdelijkheid of godgewijd celibaat, een uitmuntende wijze om zich gemakkelijker en met een onverdeeld hart aan God te geven; anderen in over­eenstemming met de voor allen geldende bepalingen van de zedelijke wet ofwel in een gehuwd ofwel in een ongehuwd leven". Gehuwden zijn geroepen om de echtelijke kuisheid te beleven; de ongehuwden beoefenen de kuisheid in onthouding:

 

Er bestaan drie vormen van de deugd van kuisheid: de eerste is die van de echtgenoten, de tweede is die van het weduwschap, de derde die van de maagdelijkheid. Wij prijzen niet één van deze vormen met uitsluiting van de andere. Hierin ligt juist de rijkdom van de leefregels van de kerk.

 

2350            Verloofden zijn ertoe geroepen de kuisheid in onthouding te beoefenen. Zij moeten deze proeftijd zien als een periode waarin ze leren voor elkaar respect op te brengen en elkaar trouw te blijven in de hoop dat ze elkaar van God zullen ontvangen. De uitingen van tederheid die specifiek zijn voor de huwelijkslief­de, zullen ze bewaren voor de periode van het huwelijk. Zij zullen elkaar hel­pen om te groeien in kuisheid.

 

 

III. De liefde van de gehuwden.

 

2360    De seksualiteit is gericht op de huwelijksliefde tussen man en vrouw. In het huwelijk groeit de lichamelijke intimiteit van de echtgenoten uit tot een teken en onderpand van de geestelijke gemeenschap. Tussen gedoopten wordt de hu­welijksband geheiligd door het sacrament.

 

2361    "De seksualiteit waardoor man en vrouw zich aan elkaar geven door de eigen en exclusieve huwelijksdaden, is niet een zuiver biologisch gegeven, maar raakt de menselijke persoon in zijn diepste intimiteit. Ze is alleen echt menselijk, als ze een integrerend deel uitmaakt van de liefde waardoor man en vrouw zich tot de dood geheel aan elkaar binden".

 

Tobias kwam van het bed overeind en zei tot Sara: 'Sta op zuster, laten we bidden dat de Heer zich over ons ontferme'. En ze begon­nen te bidden om bescherming en Tobias zei: 'Gezegend zijt Gij, God van onze vaderen (...) Gij hebt Adam gemaakt en hem Eva zijn vrouw tot hulp en steun gegeven. Uit hen is het menselijk ge­slacht voortgekomen. Gij hebt gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is; laten we een hulp voor hem maken die bij hem past. Welnu, Heer, als ik mijn zuster hier tot mij neem, ga ik geen ongeoorloofde verbinding aan, maar blijf ik trouw aan uw wet. Betoon mij uw barmhar­tigheid en laat mij aan haar zijde oud worden.' En Sara zei: 'Amen'. Daarop brachten zij samen de nacht door". (Tobit 8,4-9).

 

2362    "De daden waardoor de echtgenoten in kuise intimiteit één worden zijn eerzaam en waardig. Als zij op een werkelijk menswaardige wijze beleefd worden, betekenen en begunstigen zij de wederzijdse gave waardoor beide echtgenoten elkaar verrijken in vreugde en erkentelijkheid". De seksualiteit is een bron van vreugde en genot.

 

De Schepper zelf (...) heeft gewild dat de echtgenoten in deze dienst [van voortplanting] genot en bevrediging naar lichaam en geest zouden ondervinden. De echtgenoten doen dus niets slechts, wanneer ze dit genot nastreven en ervan genieten. Ze aanvaarden wat de Schepper voor hen heeft bestemd. Toch moeten de echtgenoten er zorg voor dragen, de grenzen van een gepaste matiging niet te overschrijden.

 

2363    Door de eenwording van de echtgenoten wordt het dubbele doel van het huwelijk bereikt: het goed van de echtgenoten zelf en het doorgeven van het le­ven. Men kan deze twee betekenissen of waar­den van het huwelijk niet van elkaar scheiden zonder het geeste­lijke leven van het paar grondig te veranderen af zonder de waar­den van het huwelijk en de toekomst van het gezin in gevaar te brengen.

De huwelijksliefde van man en vrouw staat derhalve onder de dubbele eis van trouw en vruchtbaarheid.

 

De huwelijkstrouw

 

2364    Het echtpaar vormt "een innige gemeenschap van leven en van echtelijke lief­de, daar de Schepper gesticht en onder eigen wet­ten geplaatst. Deze gemeen­schap komt tot stand door het huwe­lijks­verbond, met andere woorden: door ­een onherroepelijk per­soonlijk en wederzijds jawoord"; Beiden geven zich definitief en totaal aan elkaar. Voortaan zijn ze niet meer twee, maar worden ze één vlees. De verbintenis die de echtgenoten uit vrije wil zijn aangegaan, legt hun de verplichting op deze gaaf en onverbreekbaar te bewaren. "Wat God heeft verbanden, mag de mens niet scheiden" (Mc. 10,9).

 

2365    De trouw is de uitdrukking van de standvastigheid in het gestand doen van het gegeven woord. God is trouw. Het sacrament van het huwelijk voert man en vrouw binnen in de trouw van Christus aan zijn kerk. Door de echtelijke kuis­heid leggen de gehuwden tegenover de wereld getuigenis af van dit mysterie.

 

De heilige Johannes Chrysostomus roept jonggehuwde mannen op de volgende woor­den tot hun echtgenote te richten: "Ik heb je in mijn armen genomen en ik hou van je, en ik stel je boven mijn eigen leven. Want het huidig leven gaat voorbij als ware het niets, en het is mijn vurigste wens om het met je zó te beleven dat we er zeker van zijn, niet van elkaar gescheiden te zullen worden in het leven dat voor ons is weggelegd (...) Ik stel jouw liefde boven alles en niets zou pijnlijker voor mij zijn dan niet dezelfde ge­dachten te koesteren als jij".

 

De vruchtbaarheid van het huwelijk

 

2366    De vruchtbaarheid is een gave en een doel van het huwelijk, want de echtelijke liefde streeft er van nature naar vruchtbaar te zijn. Het kind kamt niet van bui­tenaf als een toevoegsel aan de wederzijdse liefde van de echtgenoten; het ont­staat in het hart zelf van deze wederzijdse gave, waarvan het een vrucht en vol­tooiing is. De kerk "kiest partij voor het leven" en houdt voor "dat elke huwelijksdaad open moet blijven voor het doorgeven van het leven". "Deze leer, die herhaaldelijk door het kerkelijk leergezag werd uiteengezet, steunt op de onverbreekbare band, die God heeft gewild en die de mens op eigen initia­tief niet mag verbreken: de band namelijk tussen de twee betekenissen van de huwelijksdaad: vereniging en voortplanting".

 

2367            Geroepen om het leven te schenken, hebben de echtgenoten deel aan de schep­pende kracht en het vaderschap van God. "De echtgenoten weten dat zij in hun taak om menselijk leven door te geven en op te voeden (wat als hun eigen zending beschouwd moet worden) de medewerkers van de liefde van de schep­pende God zijn en als het ware de vertolkers ervan. Daarom moeten zij hun opdracht in menselijke en christelijke verantwoordelijkheid vervullen".

 

2368    Een bijzonder aspect van deze verantwoordelijkheid betreft de geboortenregeling. Om rechtmatige redenen kunnen de echtge­no­ten wensen de geboorten van hun kinderen te spreiden. Het komt hun toe, zich ervan te vergewissen dat dit verlangen niet voortkomt uit egoïsme, maar in overeenstemming is met de vereiste edelmoedigheid van een verantwoord ouderschap. Bovendien zul­len zij hun gedrag moeten afstemmen op de objectieve criteria van de zede­lijkheid:

Wanneer de verhouding tussen de huwelijksliefde en het verantwoord doorgeven van het leven aan de orde is, hangt het zedelijk karakter van het gedrag niet louter af van een oprechte bedoeling en van een afwegen van motieven; men moet die verhouding juist bepalen volgens objectieve criteria die ontleend zijn aan de natuur van de persoon en van zijn handelingen, d.w.z. criteria die binnen een context van ware liefde de volledi­ge betekenis van de wederzijdse gave en van de menselijke voortplanting eerbiedigen; hiervoor is het beslist nodig dat de deugd van de echtelijke kuisheid met een oprecht hart beoefend wordt.

 

2369    "Slechts als men deze twee wezenlijke aspecten eerbiedigt, namelijk de vereniging en de voortplanting, bewaart de huwelijksdaad integraal de betekenis van de wederzijdse ware liefde en tevens de gerichtheid op de zeer verheven roeping van de mens tot het ouderschap".

 

2370    De periodieke onthouding, de methoden van geboortenregeling die gebaseerd zijn op zelfobservatie en gebruikmaking van on­vrucht­bare periodes zijn in overeenstemming met de objectieve criteria van de zedelijkheid. Deze metho­des eerbiedigen het li­chaam van de echtgenoten, ze bevorderen de wederzijdse tederheid en begunstigen de groei van waarachtige vrijheid. Intrinsiek slecht is daarentegen "elke handeling die ‑ hetzij in het voor­uitzicht op de huwelijks­daad, hetzij tijdens het verloop ervan, hetzij in de ontwikkeling van de natuur­lijke gevolgen ‑ als doel of als middel zou beogen de voortplanting onmogelijk te maken":

Tegenover het taalgebruik dat gewoon de wederzijdse en volledige gave van de echtgeno­ten weergeeft, plaatst de contraceptie een objectief te­gengesteld taalgebruik volgens welk het er niet meer om gaat dat men zich volledig aan elkaar geeft. Daaruit volgt niet alleen de feitelijke afwijzing van de openheid voor het leven, maar ook een ontkrachting van de innerlijke waarheid van de huwelijksliefde, die een gave van de hele persoon veron­derstelt. Dit antropologisch en moreel verschil tussen con­traceptie en de gebruikmaking van periodieke ritmen houdt ten aan­zien van de persoon en de menselijke seksualiteit twee verschillende op­vattingen in, die niet tot elkaar te herleiden zijn.

 

2371    "Allen evenwel dient het duidelijk te zijn dat het menselijk leven en de opdracht om het door te geven niet beperkt blijven tot enkel deze wereld en dat die binnen dat kader ook niet hun volle omvang en volledige betekenis kun­nen vinden, maar altijd hun referentiepunt bezitten in de eeuwige bestemming van de mensen".

 

2372    De staat is verantwoordelijk voor het welzijn van de bur­gers. Daarom heeft hij het recht maatre­gelen te nemen om richting te geven aan de demografische ontwikkeling van de bevolking. Dit kan gebeuren door middel van objectieve en respectvolle informa­tie, maar niet door autoritair ingrijpen of dwingende maatrege­len. Het is niet aanvaardbaar dat de overheid zich in de plaats gaat stellen van de echtgenoten als de eerste verantwoordelijken voor de voortplanting alsook voor de opvoeding van hun kinderen. De staat heeft niet het recht om middelen tot regulering van de bevolkingsomvang te bevorderen die strijdig zijn met de zedelijke wet.

 

Het kind als geschenk

 

2373    De heilige Schrift en de traditionele praktijk van de kerk zien in de kinderrijke gezinnen een teken van Gods zegen en van de edelmoedigheid van de ouders.

 

2374    Voor echtparen die moeten vaststellen dat zij onvruchtbaar zijn, betekent dit een groot lijden. "Wat baten mij uw gaven?" zegt Abram tot God; "Want ik blijf maar kinderloos..." (Gen. 15,2). "Geef mij toch kinderen" roept Rachel uit tot haar man Jakob, "anders ga ik dood!" (Gen. 30,1).

 

2375    Het wetenschappelijk onderzoek dat ten doel heeft de men­selijke onvruchtbaarheid te verhelpen, moet aangemoedigd worden op voorwaarde dat het gericht is "op dienstbaarheid aan de men­selijke persoon, aan zijn onvervreemdbare rech­ten, aan zijn waarachtig en integraal welzijn, en wel in overeenstemming met het plan en de wil van God".

 

2376    De technieken die leiden tot een verstoring van de verwant­schap door tussenkomst van iemand, vreemd aan het echtpaar, (af­staan van sperma of eicel, draagmoederschap) zijn hoogst verwer­pe­­lijk. Deze technieken (heterologe kunstmatige inseminatie en bevruchting) schenden het recht van het kind om geboren te worden uit een vader en een moeder, die het kent en die door het huwe­lijk met elkaar verbonden zijn. Zij gaan in tegen "het exclusieve recht dat men slechts va­der en moeder wordt door eenwording van de een met de ander".

 

2377            Wanneer bij deze technieken (homologe kunstmatige insemi­natie en bevruchting) alleen de echt­genoten zelf worden inge­scha­keld, zijn ze misschien minder zwaar te veroordelen, maar ze blij­ven toch moreel onaanvaardbaar. De seksuele daad wordt immers gescheiden van de voortplantingsdaad. De handeling waardoor het kind tot leven wordt gewekt, is dan geen han­deling meer waarin twee personen zich aan elkaar geven; "het leven en de identiteit van het embryo worden toevertrouwd aan medische en biologische specialisten, en men maakt een be­gin met de overheersing van de techniek over de oorsprong en bestemming van de menselijke per­soon. Een dergelijke verhouding van overheersing is op zichzelf in strijd met de waardigheid en de gelijkheid, die gemeenschap­pelijk moeten zijn aan ouders en kinderen". "Wanneer de voort­planting niet gewild wordt als een vrucht van de huwelijksdaad, d.w.z. van de specifieke daad van eenwording van de echtgenoten, wordt ze in moreel opzicht beroofd van haar eigen volmaaktheid (...) Enkel het eerbiedigen van de band die er bestaat tussen de betekenissen van de huwelijksdaad en de eerbied voor de eenheid van het menselijk wezen, kunnen leiden tot een voortplanting die in overeenstemming is met de waardigheid van de menselijke persoon.

 

2378    Het kind behoort niet tot de categorie van het "moeten", maar tot die van het "krijgen". Het "mooiste geschenk van het huwelijk" is de geboorte van een mens. Men mag het kind niet zien als een eigendomsobject. Tot die opvatting zou men komen, als men een zogenaamd "recht op een kind" erkent. In dit domein is er enkel het kind dat werkelijke rechten kan laten gelden: "vrucht te zijn van de specifieke daad van de echtelijke liefde van zijn ouders en even­eens het recht om als persoon geëerbiedigd te worden vanaf het moment van de conceptie".

 


2379    Het evangelie leert ons dat fysieke onvruchtbaarheid geen absoluut kwaad is. De echtgenoten die, na alle geoorloofde medische hulp te hebben aangewend, onder onvruchtbaarheid lijden, mogen hun troost zoeken bij het Kruis van de Heer, bron van elke geestelijke vruchtbaarheid. Zij kunnen hun edelmoedig­heid tonen door verlaten kinderen te adopteren af daar veeleisende diensten te bewijzen aan hun naaste.

 

IV. Zonden tegen de waardigheid van het huwelijk

 

2380            Overspel. Deze term wordt gebruikt om de ontrouw in het huwelijk aan te duiden. Wanneer twee partners, van wie er min­stens één gehuwd is, met elkaar een seksuele relatie aangaan, zelfs van voorbijgaande aard, begaan ze overspel. Christus ver­oordeelt overspel en zelfs het verlangen alleen al hiernaar. Het zesde gebod en het Nieuwe Testament veroordelen overspel op een absolute wijze. De profeten geven het ernstig karakter ervan aan. In het overspel zien ze een beeld van de zonde van afgoderij.

 

2381            Overspel is een onrecht. Wie overspel bedrijft, schiet tekort in de aangegane verplichtingen. Hij schendt het teken van het verbond namelijk de huwelijksband; hij schendt het recht van de andere partner en brengt schade toe aan de instelling van het huwelijk door het contract te verbreken waarop het steunt. Hij benadeelt het welzijn van het menselijk geslacht en van de kinderen, die behoefte hebben aan een stabiele verbondenheid tussen de ouders.

 

Echtscheiding

2382    De Heer Jezus heeft met nadruk gewezen op de oorspronkelijke bedoeling van de Schepper, die gewild heeft dat het huwelijk onverbreekbaar zou zijn. Hij heft dan ook de inschikkelijkheid op, die in de oude wet binnengedrongen was.

 

Tussen gedoopten geldt "dat een huwelijk dat aangegaan en voltrokken is, door geen enkele menselijke macht en door geen enkele oorzaak, behalve de dood, kan ontbonden worden".

 

2383    De feitelijke scheiding van de echtgenoten met behoud van de huwelijksband, kan in bepaalde gevallen, voorzien door het kerkelijk recht, geoorloofd zijn.

Indien de burgerlijke echtscheiding als enige mogelijkheid overblijft om bepaalde wetti­ge rechten, de zorg voor de kinderen of de bescherming van het erfdeel veilig te stellen, kan ze gedoogd worden, zonder daarom een morele fout te betekenen.

 

2384            Echtscheiding betekent een zware schending van de natuurwet. Men matigt zich het recht aan het contract te verbreken dat door de echtgenoten vrij aangegaan werd, om samen het leven te delen tot aan de dood. Echtscheiding is een in­breuk op het heilsverbond, waarvan het sacramentele huwelijk het teken is.

Een feitelijke nieuwe verbintenis, zelfs al zou die door de burgerlijke wet er­kend zijn, maakt de breuk nog ernstiger: de hertrouwde persoon bevindt zich dan in een situatie van publiek en blijvend overspel.

Als de echtgenoot, na de scheiding van zijn vrouw, een andere vrouw tot zich neemt, begaat hij echtbreuk, want hij laat deze vrouw echtbreuk plegen; en de vrouw die bij hem woont, begaat echtbreuk, omdat ze de echtgenoot van een andere vrouw tot zich getrokken heeft.

 

2385    De echtscheiding toont ook haar immoreel karakter door het feit dat zij een ontregeling teweegbrengt in het gezinsleven en in de samenleving. Deze ontre­geling brengt zware schade met zich mee: voor de partner die in de steek gela­ten wordt; voor de kinderen die blijvend lijden onder de scheiding van hun ouders en die zich heen en weer geslingerd voelen tussen hun ouders; ook ech­ter voor de gemeenschap vanwege het aanstekelijke karakter, waardoor echt­scheiding een ware sociale plaag wordt.

 

2386    Het kan voorkomen dat één van de echtgenoten het onschuldig slachtoffer is van een echtscheiding die door de burgerlijke wet uitgesproken werd; in dit geval treft die persoon geen morele schuld. Er is een aanzienlijk verschil tussen de partij die zich eerlijk heeft ingezet om trouw te blijven aan het sacrament van het huwelijk en die ten onrechte in de steek werd gelaten, en de partij die door eigen ernstige schuld een huwelijk verbreekt dat kerkelijk geldig is.

 

Andere zonden tegen de waardigheid van het huwelijk

 

2387    Men kan zich het innerlijk conflict van een man voorstellen die verlangt zich tot het evangelie te bekeren, maar zich daardoor genoodzaakt ziet, één of meer vrouwen te verstoten, met wie hij gedurende jaren in huwelijksgemeenschap heeft geleefd. Toch is polygamie niet in overeenstemming met de zedenwet. Ze is "radicaal in tegenspraak met de gemeenschap van het huwelijk: ze loochent in feite rechtstreeks het plan van God, zoals dit ons vanaf het begin werd geo­penbaard; ze is in strijd met de gelijke persoonlijke waardigheid van de vrouw en van de man, die zich in het huwelijk aan elkaar schenken met een liefde die totaal en daarom ook uniek en exclusief is" Een christen die vroeger polygaam leefde, is op grond van de rechtvaardigheid ernstig gehouden om zijn verplichtingen na te komen, die hij tegenover zijn vroegere vrouwen en zijn kinderen is aangegaan.

 


2388    Incest duidt op de intieme betrekkingen tussen mensen die bloed‑ of aanverwant zijn in een graad, die het huwelijk tussen hen niet toelaat. De heilige Paulus betitelt deze zonde als bijzonder zwaar: "Men hoort spreken van ontucht ander u (...) dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader! (...) In naam van de Heer Jezus moeten wij (...) die man uitleveren aan de satan, tot ondergang van zijn lichaam...". Incest verwoest de familiever­houdingen en wijst op een terugkeer naar de dierlijkheid.

 

2389            Seksueel misbruik door volwassenen van kinderen of jongeren die aan hun zorg zijn toevertrouwd, kan men in verband brengen met incest. In dit geval is er sprake van een dubbel vergrijp vanwege de schandalige aanslag die gepleegd wordt op de morele en fysieke integriteit van de jongeren die er hun hele leven daar getekend blijven. Bovendien gaat het om een ernstige schending van de verantwoordelijkheid van de opvoeders.

 

2390    Men spreekt van ongehuwd samenwonen, wanneer een man en een vrouw weigeren een juridische en publieke vorm te geven aan hun verbintenis die de seksuele intimiteit insluit.

 

De uitdrukking "vrije liefde" is misleidend: wat kan de betekenis zijn van een liefdesrelatie, wan­neer de personen zich niet aan elkaar binden en op die manier getuigenis afleggen van hun ge­brek aan vertrouwen in de ander, in zichzelf of in de toekomst?

 

Ongehuwd samenwonen komt voor in zeer uiteenlopende situaties: het con­cubinaat, het afwijzen van het huwelijk als zodanig af het onvermogen om zich op lange termijn aan elkaar te binden. Al deze levenswijzen zijn in strijd met de waardigheid van het hu­welijk: zij tasten de grondgedachte van het gezin aan; ze ver­zwakken de zin voor trouw. Ze zijn in strijd met de zedenwet: de huwe­lijksdaad mag uitsluitend plaatsvinden binnen het huwelijk; buiten dit kader is het steeds een zware zonde, die uitsluit van de sacramentele communie.

 

2391            Sommigen vragen tegenwoordig een soort "recht op proeftijd", wanneer ze de bedoeling hebben om een huwelijk te sluiten. Hoe serieus het voornemen ook moge zijn van hen die voortijdige sek­suele betrekkingen aanknopen, "toch ga­randeren zulke voor­tijdige seksuele betrekkingen geenszins de oprechtheid en trouw in de interpersoonlijke relatie tussen man en vrouw en bieden ze be­paald geen bescherming tegen grillen en willekeur". De licha­melijke vereni­ging is moreel alleen toegestaan, wanneer een de­finitieve levensgemeenschap tussen man en vrouw tot stand is gekomen. Liefde tussen mensen verdraagt geen "proefperiode". Liefde vraagt een totale en definitieve gave van de perso­nen aan elkaar.

 

IN HET KORT: SEKSUALITEIT

 

2392    "Liefde is de fundamentele en aangeboren roeping van elk menselijk wezen".

 

2393    Door de mens als man en vrouw te scheppen, schenkt God gelijkelijk aan beiden hun persoonlijke waardigheid. Het is de opdracht van elk van bei­den, man en vrouw, zijn of haar geslachtelijke identiteit te erkennen en te aanvaarden.

 

2394            Christus is het voorbeeld van de kuisheid. Elke gedoopte heeft als roeping kuis te leven, elk volgens zijn eigen levensstaat.

 

2395    Kuis leven betekent dat men zijn seksualiteit integreert in zijn persoon. Dit houdt het verwerven van zelfbeheersing in.

 

2397    Het huwelijksverbond dat de echtgenoten vrij hebben gesloten, houdt een trouwe liefde in. Het legt hun de verplichting op, de onverbreekbaarheid van hun huwelijk te behoeden.

 

2398    De vruchtbaarheid is een goed, een gave, een huwelijksdoel. Doordat zij het leven doorgeven, delen de echtgenoten in het vaderschap van God.

 

2399            Geboortenregeling is één van de domeinen van het verantwoord vader‑ en moederschap. De rechtmatigheid van bedoelingen bij de echtgenoten recht­vaardigt niet het aanwenden van middelen, die mo­reel ontoelaatbaar zijn (b.v. directe sterilisatie of contra­ceptie).

 

2400            Overspel en echtscheiding, polygamie en het vrij samenwonen zijn zware in­breuken op de waardigheid van het huwelijk.